Vierentwintig november, precies om drie uur ’s middags gleed Mi Gudu statig om de bocht van de Saramaccarivier naar onze steiger – precies zoals schipper Ed ons had aangekondigd. Dertien TRISsers (het ging om een reünie van oud militairen die ooit, ver voor de onafhankelijkheid, geruime tijd in Suriname gelegerd waren, plus aanhang). De stemming was jolig; ze hadden genoten. Precies op tijd ook rolde de bus ons erf op. Waardoor we helaas maar flarden konden horen van de opgedane ervaringen. Twaalf dagen was Mi Gudu de hort op. Via de satelliettelefoon hadden we natuurlijk contact met de crew. Zo hoorden we dat de culturele dansavond op de heenreis niet door kon gaan omdat de basja (onderburgemeester, zeg maar) van Corneliskondre net was overleden en het kleine indianendorp in rouw was gedompeld. Maar op de terugreis mochten de TRISsers de laatste en dus afsluitende plechtigheden van de achtdaagse rouwperiode bijwonen. En dat schijnt zeer indrukwekkend – en bovenal – zeer authentiek te zijn geweest. Met veel rituele dansen en gezangen én natuurlijk een rooms katholieke mis, want al die inheemsen dorpen in westb Suriname zijn RK. In Nickerie hadden onze bemanningsleden heimelijk het gedrag van hun toekomstige reisgezelschap bestudeerd op het terras van hotel Résidence Inn. En dat gestage gekantel van bierglazen leidde er toe dat ze spoorslags naar de supermarkt reden en nog drie kisten bier voor de terugreis bestelden. Geen overbodige ingeving. Er zweemde een soort gestilde heimwee door in de fragmenten die ik van de TRISsers hoorde. Ook wel begrijpelijk: als jonge militair je dienstplicht in dit land doorbrengen, het muntje kan aan twee zijden vallen: paradijs of groene hel. Naar de hel ga je natuurlijk nooit meer terug, maar voor de eerste groep bleek Suriname kennelijk een ervaring die ze nooit meer van zich af hebben kunnen zetten. Ik had de indruk dat ze deze route binnendoor naar Nickerie met hun bataljon ook al hadden gemaakt, dus het moet een schok van herkenning zijn geweest. Mooi ook, dat ze die tocht nu ook eindelijk aan hun partner hebben kunnen laten zien. Want er zal een boom omgevallen zijn, een zeekoe verdronken of een dorpje verdwenen: echt veranderd is dat ongerepte regenwoud in al die jaren natuurlijk niet. Toen ze na veel uitbundig gezwaai: “Doe de groeten aan Vene!” (want ze waren ter gelegenheid van Onafhankelijkheidsdag op het presidentieel paleis ter audiëntie uitgenodigd) onze oprijlaan afhobbelden (het asfalt is door de boomwortels van woudreuzen die de oprit omzomen wat bultig aan het worden) bleven we napraten met de crew. En wat hádden ze ons een hoop te melden. Je merkte dat ze een nieuwe, eigen verantwoordelijkheid voelden voor het welslagen van het bedrijf. Dus wilde Clifton eerst Sofia tijdens de komende tocht beter inwerken, waarna zij als hulpkok on hold zal blijven en kok Clifton vervolgens Kenneth zal inwijden in de Mi Gudu keukengeheimen opdat hij zelf host zal worden. Of ze dan ook wilden leren varen, vroeg ik. Nou réken maar! Eigenlijk wilde de hele crew all round worden (maar die kapitein met een pollepel, dat zie ik nog niet helemaal voor me). Om het vuurtje van dat enthousiasme smeulend te houden organiseren we maar meteen een personeelsreisje, op de eerste van december. Dan snijdt het mes aan twee kanten: we hebben eigenlijk nog steeds geen volledige één en tweedaagse dagtochten op de Saramaccarivier. Als je stroomopwaarts vaart kom je langs de steiger van het dorpje Maho. Dat ziet er mooi onderhouden uit (die steiger dan). Dus we willen eerst komen kennis maken. En dat geldt, als we het in één dag halen, ook voor het dorpje Totikampu. Kijken hoe het er uit ziet, of de bewoners toeristenbezoek op prijs stellen, of ze misschien een culturele voorstelling op de plank hebben liggen, of er sierraden te koop zijn, van die dingen. Ik heb begrepen dat de bevolking van Maho inheems is, maar inmiddels zó vermengd met marrons dat het dus in feite zwarte indianen zijn. We gaan het zien gaan. En misschien tref je dan over een week of wat een nieuwe dag/twee daagse trip naar boven Saramacca aan op de website. Ik heb inmiddels begrepen dat de natuur daar ongehoord mooi is. Brasa Leonoor Wagenaar