Holi Pagwa, het Hindoestaans lentefeest is een vrije dag waarop passanten uitbundig met gekleurde talkpoeder worden bestrooid, zodat je er al gauw cyclaam rose of baby blue bij loopt totdat alle kleuren zich vermengd hebben tot een grijze drab en de lol er voor mij vaak vanaf is.
Enfin, Peter Douma, vriend en docent tijdschriften aan de School voor Journalistiek in Utrecht is hier met een aantal studenten om een magazine te maken over de banden tussen Utrecht en Paramaribo. Ook worden er videofilms gemaakt, een promotiefilm voor Parbode en God weet wat nog meer. Dus mede om die verftroep te ontvluchten besloot Peter met z’n collega en z’n studentjes uit te wijken naar Groningen, ook al omdat hij vond dat ik die kids wel een gastcollege verschuldigd was. We troffen elkaar bij een warung op Groningen waar eerst grote borden Mokse Alesi naar binnen werden geschoven. En vervolgens naar ons huis (‘Wát een paradijsje’) en op het schip (‘Dit durf je toch niet te drómen!’) . Trossen los, djogo’s open, luik van het dak omhoog en varen maar. Ik zag overal bungelende benen vanaf het dak, na al die dagen regen in de stad was dit hun eerste uitje – met een klein buitje – maar ook even zon en in elk geval oerwoud om langs te varen. René ging tot voorbij de brug. En op ons retour kwamen ze op het dek zitten en vertelde ik iets over de pionierperiode van Parbode; de eerste twee jaar.
Hoe ik een half jaar hoofdredacteur was geweest van een ander opiniemaandblad, Paramaribo Post , hoe de uitgever daar de stekker uittrok en hoezeer ik daar in mijn tweewekelijkse Paroolcolumn om rouwde. Dat las Jaap Hoogendam, antropoloog en baas van een gigantisch café restaurant in Amsterdam oost. Hij schreef een mailtje naar de redactie – dat hij dit land kende, dat Suriname aanvoelde als een vertrouwde, oude jas en dat deze samenleving recht had op zijn eigen opiniemaandblad. Wat hij wilde helpen opstarten.
Die mail heeft me nooit bereikt.
Na máánden stuurde hij de redactie nóg een mail. Dat hij zich kon voorstellen dat ik er verder tabak van had, maar dat ik zoiets toch gewoon kon zéggen.
Die mail kreeg ik dus wel.
Een week later was hij hier, hadden we een redactielokaaltje, kochten we kantoorstoelen, zochten we opmakers, belden we oud medewerkers van het vorige blad, kortom, drie weken later konden we ons eerste exemplaar presenteren. Wemelend van de taalfouten, maar met een pin up cover van de beeldschone Alice Amafo, minister op een haar zeer vijandig ministerie wat altijd bolwerk van een andere partij was geweest en nu de marrons, die voor het eerst in hun bestaan mochten mee regeren, treiterden, traineerden en dwarsboomden waar ze maar konden (uiteindelijk is zij ook in een valstrik gelopen, zorgvuldig uitgezet door haar valse ambtenaren).
Ik vertelde over de grappige rubrieken, De Eerste Keer, Mati (je liefste huisdier of het nou een slang, een bosvarkentje, een capucijner aapje of een tapir betrof) en borrelpraat aan de Stamtafel. Maar die gezelligheid rechtvaardigt natuurlijk niet het bestaan van een opiniemaandblad. In de krant las ik regelmatig kleine berichtjes over een mysterieuze overeenkomst die de overheid met een mega Chinees bedrijf had gesloten: de Patamacca deal: niemand wist er het fijne van, het businessplan en andere afspraken waren strikt geheim, maar die Chinezen stonden te trappelen aan het kattenluikje van sweetie Sranang. We zijn d’r met zijn allen achteraan gegaan. De één kon achter de bedrijfsplannen komen, de ander wist kaarten te bemachtigen van het Marowijne gebied waar die ramp zich moest voltrekken: het gonsde van opwinding op de redactie, want dat zich een ramp had aangediend was inmiddels duidelijk; veertigduizend hectare oerbos (ter grootte van eenderde van het stuwmeer) mocht door het Chinese Zhong Heng Tai worden kaal gekapt ten behoeve van een palmolieplantage. Het hout (wat China overal in derde wereldlanden komt roven omdat er in China vrijwel geen boom meer overeind schijnt te staan) mochten ze gratis uitvoeren, 7 jaar belasting vrij hier opstarten (of gewoon weggaan nadat het hout was gescoord), er zouden minimaal 6000 Chinezen komen die bereid waren om voor $ 6 (toen SRD 16, wij betaalden destijds een dagprijs van SRD 40 tot 60) en voor dat bedrag mochten marrons en indianen ook komen werken.
Enfin, het verhaal werd met alle ins en outs gepubliceerd. En toen viel het doek. Tot we veel later hoorden dat er krutu’s (stamhoofdenvergaderingen van inheemsen en marrons) waren belegd en dat de lokale bevolking het hele plan naar de vuilnisbak verwees. Direct kwamen we met follow ups en het einde van het verhaal is dat de deal vrijwel zeker wordt afgeblazen. En zich nu een milieuvriendelijk Nederlands bedrijf heeft aangemeld dat op de verwaarloosde plantage die daar nog is, een herstart wil maken.
Daarna heb ik nog lustig opgeschept over primeurs (zakkenvullerij en seksueel misbruik in kindertehuizen – kamer vragen, snakeheads die Chinezen ronselen – mensenhandel, dus bedreigingen, een nieuwe (Chinese) shopingmall die bij oplevering al levensgevaarlijk bleek, de lijst was lang, in die beginperiode). En de studenten luisterden redelijk ademloos.
Daarna kwam nog een paar van hen praten: “U zou een crimineel als Bouterse nooit met een interview in Parbode toelaten, zei u, maar nu hebben we een afspraak voor een video opname, wat ga ik hem vragen?” Of een meisje: “We hebben een gesprek geregeld met de minister van binnenlandse zaken, daar ben ik best trots op. Maar nu, wat gaan we met hem doen?” Zelf vond ik dat misschien nog wel de leukste, meest inspirerende babbels, samen verzinnen hoe je daar nog journalistieke diepgang aan zou kunnen geven. Gelukkig zette een schatje me, vlak voor me afmeerden, weer op mijn twee voeten: ‘één vraagje nog: die oorbellen, kun je die hier kopen of komen ze toch…’
Helaas. Uit Amsterdam
Brasa
Leonoor Wagenaar