MI GUDU  RIVIER CRUISES SURINAME
Paramaribo-Nieuw Nickerie
West Suriname
private charters
Vogeltrips
Pleidooi voor een pamper


Het huwelijk dat deels aan boord en deels op ons boiti werd gehouden (zie vorige column) was sprookjesachtig, de verlichting feeëriek, het bruidspaar in de wolken. Maar ach, die herinneringen zijn inmiddels al een beetje verdampt, want er is zóveel gebeurd gedurende onze laatste Mi Gudu trip…  We vetrokken die zondag en iedereen was opgewonden: Japi, die juichend z’n scheepskooi insprong, Kenneth, die al een dag eerder arriveerde om het schip op orde te brengen en stond te trappelen om af te varen, Clifton die vroeg in de morgen beladen met taarten en cakes in ons busje kwam aanscheuren, honden en Tigri die alle drie zonnen op een manier om zich als verstekeling aan boord te verstoppen…

Maar al die reiskoorts verbleekte bij de uitgelaten opwinding waarmee de familie Huisman tenslotte uit hun auto's tuimelde: 'Wat is ze mooi! Heb je die salon gezien, met die houten lambrisering? Zo schitterend  en sjiek! Dit overtreft echt mijn stoutste verwachtingen!' En dochter Carolien, die toch al in de zomer meegekomen was om Mi Gudu van dichtbij te bekijken: 'Het lijkt wel of alles opeens veel groter is! Die hutten, zoveel ruimte!' Toch weer een beetje trots, wij tweetjes.

Vader Erik had de dag ervoor al een kano met buitenboordmotor afgeleverd die op het dak mee  moest, moeder Fransje bracht een hele mand met orchideeën mee, zodat alle tafels met boeketten fleurig stonden te wezen, er waren tassen vol spelletjes (Mah Jong en Scrabble bleken favoriet) en de stemming was opperbest.

De rivierdolfijntjes bij de monding gaven dit keer niet thuis, maar de rode ibissen die de mannen met hun phallus telelenzen in het mangrovebos van de Coppenamerivier konden schieten, maakten veel goed. En anders wel de geel blauwe ara’s die heftig aan het broeden waren op hun stek achter Batavia. Overal fladderden paartjes rond of zaten trotse ouders tussen de takken fotogeniek te wezen… wist ik veel wat ons te wachten stond…

De sfeer bleef geweldig, het eten werd zéér gewaardeerd, we vonden tijdig poepplekken voor hun twee hondjes en ook het bezoek aan het indianendorp Corneliskondre de volgende dag was een schot in de roos. Clif en ik gingen vooruit om de Kapitein en gids Ruben de hand te drukken. Ik vroeg of meneer André ook op het dorp was. En ja hoor, hij zat bij zijn hut. Terwijl we naar achteren liepen hoorde ik hem al tevreden brommen: ‘die lach herken ik uit duizenden!’ Het ging hem goed. Zijn nieuwe korjaal was net af en ik vroeg hem of hij straks bij René en mij op bezoek wilde komen.

Meneer André, broer van de kapitein en voormalig dorpsonderwijzer, was te gast op onze eerste expeditietocht binnendoor naar Nickerie en terug. In het begin (hij stapte bij Boskamp aan boord) verlegen rondloerend vanonder zijn rode alpinopetje, zijn schoudertas vast om zijn buik geklemd. Maar allengs kwam hij los en toen hij op de terugweg afstapte bij zijn dorp stroomden onze tranen vrijelijk. Nu kwam hij met z’n ranke, lange kano aan peddelen en trokken we een djogo open om er alle herinneringen en de nieuwste mofo koranti bij door te nemen.

Toen de groep bevlogen aan boord terugkeerde (let, als voorbode, op de woordkeuze), had Clifton twee schattige parkieten en een geaquarelleerde jonge toekan bij zich. René spoorde me aan ook even te gaan kijken bij de crèche van Ruben. (Maar ging wijselijk niet mee zodat hij later, als ik me zou beklagen over het vele werk, altijd kon zeggen: jíj wilde toch die vogels?!) Enfin, ik kwam met twee jonge blauw gele raven terug, volgens Ruben een paar, in elk geval ééntje nog erg kaal. Plus een toekan kuiken. Niks aquarelletje: een scharrig mormeltje met een véél te lange bijna ongevederde nek, ‘n mottig, groezelig borstje en een klagerig gejammer dat dágen aan zou houden. Gelukkig was het toen al bijna avond en konden de kartonnen dozen dichtgeklapt blijven: het grut ging slapen
.


Tokki, nog vóór zijn ontvoering uit Corneliskondre.   Foto  Olivier Huisman

Drie dagen moesten we toen nog varen, drie dagen dus een volière in de stuurhut, een schijtend gescharrel waar Japi vanaf de kaartentafel met diepe minachting en geveinsde desinteresse op neerkeek. (Geveinsd: ik heb hem zelden zó aanhalig en mensvriendelijk gezien!). We moesten kennis maken met elkaar: want die papagaaiensnavels zagen er wel al heel vervaarlijk uit. En hoe ga je met zo’n vrijpostige, krijsende, veeleisende, ongedurige en vooral lelijke toekanbaby om? Raven zijn zeer aanhalig, zo bleek. Net als Japi vinden ze het heerlijk om over hun kop gekroeld te worden, maar ze onder hun vleugels kriebelen blijkt wel het summum: dan heffen ze de ene vlerk en zakken, onmachtig van gelukzaligheid, onderuit op de andere. Ze zijn ook eenvoudig te voederen, vooral het vrouwtje opent gewillig haar snavel en laat de in melk gedrenkte stukjes brood zó naar achteren glijden. Het mannetje doet een stuk moeilijker en morst een hoop, en bij Tokkie is het meer een soort mikken en hopen dat het eten doel treft. Dan schudt hij heftig zijn snavel met aangekleefde rijstkorrels (op de lambrisering, de ramen, het stuurpaneel). Heeft hij iets te pakken dan legt hij zijn hoofd in zijn nek en mikt het stukje hóp in één keer naar binnen, kauwen is er niet bij. Vanwege wishfull thinking (je kunt eigenlijk aan raven niet zien wie het mannetje is en wie het vrouwtje, behalve indianen, beweren ze zelf, die kunnen dat wél) noemden we ze Romeo en Julia. En Tokki is deels vernoemd naar de asociale familie die in Nederland zo populair was, en deels omdat een toekan nu eenmaal Tokki moet heten.



Die avond hebben we in de encyclopedie Birds of Suriname gezocht: San (van Clif) is al heel veel Groefsnaveltoekan (Sranan: Blakanoso) en onze Tokki (samen vormen de vogels de naam van onze illustere minister van Politie en Justitie) wordt met héél veel goede wil een Roodsnavel- of witborsttoekan  (Bigikuyake). In elk geval zijn de bovenste veertjes van zijn onderrug al gelig en aan de binnenkant, dus ónder de staart, zie je een toefje rood. Uiteindelijk moet hij dan een prachtige witte borst krijgen, een rode snavel met een gele bovenrand, blauw rond zijn ogen en een streepje geel op de neus. Mooi hoor. Maar nu strekt hij bij het ontwaken nog een zeer haveloos nekje bij wijze van ochtendgymnastiek

Dagen lang liep ik dus dweilend achter die beesten aan (vooral die toekan van Clif scheet direct uit wat hij binnen kreeg) terwijl René al sturend half uitgleed over de ellende. Maar hokken hadden we niet en in de dozen wilden ze hooguit ’s nachts blijven.

De trip bleek een doorslaand succes. En waar het wild zich op de Tibitirivier niet wilde laten zien, hadden we toch een hele fauna in de stuurhut. San poseerde zelfs bereidwillig op het hoofd van Fransje: wildlife galore!

Toch begon ik de uren af te tellen, want kreeg steeds meer last van verkokering en tunnelvisie; als een moeder met een ongeplande drieling, stel ik me zo voor. René en ik waren de bestaande hokken al aan het herverdelen: Japi terug naar zijn twee kooien, het Shakespeare  koppel mocht in Japi’s scheepskooi hun balkonscène gaan repeteren en ook Tokki zou naar  boven verhuizen, in de oude reiskooi van Japi. (’s Nachts gaat hij met kooi en al mee naar de slaapkamer; het is buiten nog te koud voor zijn kale lijfje). Nu zitten ze, als ik even binnen ben, verlangend tegen het glas van de schuifpuien te kloppen: er moet gevreeën worden, en pap, méér pap moet er komen! De katten liggen aan de andere kant en tikken met hun pootjes naar de snavels. Ook de raven hebben het ’s nachts lekker warm. Op advies van baas René liggen ze onder een dekentje en in een nestje van, jawel, handdoeken en oude lappen. Die ik ’s ochtends dus sta uit te wassen. God wat begrijp ik opeens de roep om pampers! Zelfs bij de armste gezinnen zie je hier pampers tussen het vuilnis uitsteken. En geef ze eens ongelijk! Luiers uitwassen!

Nou ja, René is al begonnen met de constructie van een mega volière; als ze alle drie zelfstandig kunnen eten, mogen ze daar samen in, zodat ze aan elkaar kunnen wennen (nu hapt Romeo nog boosaardig naar de nietige Tokkie. Maar die kan, zo klein als hij is, al hoger hippen en verder fladderen) en zodat ze naar hartenlust kunnen schijten. Ik denk dat ze zo aanhalig blijven. En dat maakt het straks toch wel heel bijzonder: twee reusachtige raven en een toekan van een halve meter die niets liever willen dan op schoot zitten om onder hun vlerken gekieteld worden.

Brasa
Leonoor Wagenaar.