Bloemendaal beetje Tranendal De week van de zestiende augustus was – ja, vindt daar maar eens een adequaat superlatief voor – niet ellendig, daarvoor waren de gasten te leuk, niet rampzalig, want uiteindelijk is bijna alles op z’n pootjes terecht gekomen… laten we het houden op een week vol tegenslagen. Maandag vertrok Mi Gudu voor een vijfdaagse cruise, met aan boord mijn Baas René en Kenneth, onze steun en toeverlaat. Ik bleef achter met een aandoenlijke herder-puppy (Bella) binnen en twee jaloerse honden buiten. Maandag ook kwamen de gasten voor de eerste twee appartementen: boeroe en pater familias Van Brussel, diens echtgenote, hun dochter met haar man plus drie zonen. So far so good. Dinsdag kwamen de volgende vier gasten, gleed mevrouw van Brussel van de trap, bezeerde ze een rib en ging bijna van haar stokje van de schrik. Op dat moment kwam het telefoontje van René: Kenneth had een ongelukje gehad waarbij het topje van zijn pink er lelijk bij hing. Eén van de gasten aan boord bleek arts en beval, zonder pardon,: terug, want hechten. Dus was Mi Gudu op haar retour naar Boskamp, waar al een taxi klaar stond om Kenneth naar de poli op Groningen te brengen (waar de dokter óók al klaar stond). Eén dag oponthoud en het plan om bij wijze van expeditie de bovenloop van de Coppenamerivier te verkennen was daarmee in duigen gevallen. Die avond rond negen uur viel de stroom uit in alle huisjes (en in het zwembad). Maar niet in ons eigen huis. Ik holde naar de stoppenkast om de Knop aller Knoppen over te halen – zonder resultaat. Mi Gudu dreef ergens voor anker en was telefonisch niet bereikbaar. In dodelijke paniek twee buurheren gebeld, die ook prompt kwamen aangesneld. Het probleem leek bij EBS (Energie Bedrijf Suriname) te liggen, dus de storingsdienst gealarmeerd. Al die tijd zaten onze gasten in het donker, waardoor ik me zó schuldig voelde dat ik ze allemaal bij mij binnen uitnodigde om de pijn met wijn en borgoe te verzachten. Om half twee in de ochtend (verder was iedereen al naar bed) kwam de storingsdienst en godzijdank kort daarop het licht. De volgende ochtend bleken onze raven Romeo en Julia (blauw-gele ara’s) wéér een gat in het gaas te hebben geknaagd en hingen ze alletwee aan de buitenkant van hun kooi. Op zich geen probleem, doorgaans ga ik dan in de kooi staan (met hun ontbijt) en zijn ze zó weer binnen. Maar juist op dat moment voer er een rubberbootje langs de lege steiger, schrokken ze en vlogen ze alletwee de vrije natuur in. De bodem zakte onder mijn voeten weg; raven die als kuiken bij mensen zijn opgevoed, overleven het niet in het wild. Ze bleven in de buurt, dat wel, ik hoorde de één aan de rand van het rechter perceel en de ander ver, ver van me vandaan de linkerzijde, hoog in de boom. Die komen wel terug, zeiden de arbeiders die hier aan het werk waren. En die avond zaten ze samen inderdaad in een boom, vlak achter de werkplaats. Maar naar hun kooi dorsten ze niet; er waren zó veel mensen op het terrein – of, dat kan ook, het avontuur was nog te aanlokkelijk. Woensdag hoorde ik ze weer van verre krijsen (waarna ik terug brulde, want ze reageerden doorlopend op mijn stem). Uiteindelijk keerden ze terug in een boom bij de oprijlaan, ik zette een tafeltje met heerlijk fruit er pal onder, ze keken er naar, daalden een paar takken naar beneden, maar toen hield het op. Waarna ik ze wéér weg zag vliegen, onrustig boven ons huis en hun kooi cirkelend: een imposant gezicht, maar bovenal een tantaluskwelling. Donderdag had Japi (de amazone papegaai die bij ons boven woont) ook maar een gat in zijn kooi geknauwd en was vervolgens naar beneden gefladderd. (Hij was, sinds de vlucht van het ravenkoppel, verschrikkelijk onrustig en schreeuwde de boel bij elkaar – waarop de raven antwoord gaven vanuit het bos) Tuinman Tikat had hem weerloos op het gras zien waggelen en hem zolang in de ravenkooi gezet, bang als hij was voor de honden en voor Tigri, de ballenkater. Enfin, Japi had ik in een handomdraai (figuurlijk, dan) op mijn schouder en terug naar zijn veilige omgeving. Alarmerender was dat Tikat een geweerschot had gehoord. En daarna nog maar het gekrijs van één raaf. Ik gaf de hoop op. Raven zijn monogaam, blijven hun leven lang bij hun partner; het wachten was op de volgende knal: extra rijke pindasoep voor de buren van het dorpje even verderop. Maar die ene keerde terug en bleef in de buurt. Inmiddels (ja, het is hier een ware Zoo) was toekan Tokkie, die de door gaas doormidden geslpitste kooi met de raven deelt en ál-tijd ruzie met ze maakte, wóédend op mij. Keihard happen en bijten, niet meer willen eten.. terwijl de tranen over mijn wangen biggelden, probeerde ik uit te leggen dat dit toch ook niet helemáál mijn schuld was… zonder resultaat natuurlijk… Vrijdag vertrokken de gasten van de huisjes en keerde, de Here zij geprezen, Mi Gudu terug. Al die gasten bleven nog een nacht logeren en wij boden ze een rijke barbecue aan bij wijze van compensatie voor die verloren vaardag. Weer kwam de raaf dichterbij. Maar er zaten zóveel vrienden en kennissen bij mij op het terras dat hij, nota bene vanaf de nok van zijn kooi, tóch weer angstig wegvloog. Die nacht heb ik drie indianen ingehuurd om de vogel te ‘stroppen’; met een lange stok zouden ze een lus om zijn borst gooien (míjn waslijn!) en hem zo binnenhalen; het dier zou in de nacht diep in coma zijn. Niet dus, hij vloog weg en ze hebben hem nog een paar bomen lang tevergeefs achterna gezeten. Zodat ik hem zaterdag, opgejaagd als hij was, naar de overkant van de rivier zag vliegen. Wéér vervloog alle hoop. Maar die middag was hij tóch weer in de tuin. Tokkie riep met die hoge yell en de raaf antwoordde. Op dat moment waren alleen René en ik thuis: sommige gasten waren vertrokken, anderen verkenden de buurt. Ik stond als een debiel met een brok watermeloen mijn vogel te verleiden. En langzaam, langzaam kwam hij dichterbij, tot in de boom vlak naast me, tot op het gaas van de kooi… met die meloen heb ik hem voetje voor voetje naar binnen gelokt. Deur dicht en door mijn trillende knieën gezakt. Hij at nauwelijks, dronk veel en liet zich genadig walnoten voeren. In shock zat hij urenlang op zijn stokkie. Pas daarna kwam ik weer bij hem en merkte ik aan zijn licht vijandige reactie dat het Romeo was; ze hebben mijn allerliefste, knuffelzieke vriendinnetje Julia dus doodgeschoten. Wat bezielt een mens om zo’n prachtige, imposante vogel domweg neer te knallen?! Voor de soep… En Tokkie? Clown Tokkie troostte zijn uitgeputte buurman, stak zijn snavel door het gaas, hipte van links naar rechts om hem op te monteren. Toen ik hem zijn avondfruit bracht, hapte hij opeens niet meer naar mijn hand – integendeel, hij boog zijn kop deemoedig en liet zich uitgebreid kroelen. En vanmorgen was hij nog net zo aaibaar. Soms denk je dat de dieren allemaal langs elkaar heen leven. Maar niets blijkt minder waar. Brasa Leonoor