Het was, de afgelopen dagen, een drukte van jewelste bij ons op boiti; het ene gezelschap meldde zich nog niet af of het volgende diende zich alweer aan (en ik maar op en neer rennen met loempia’tjes, barbecue saté en flessen wijn). Zondag was het helemaal raak. Eén vriend vatte die middag in een mailtje zó samen: ‘’Ik vond het erg gezellig gistermiddag, wat een plek, wat een sfeer; klein Amsterdam qua publiek, maar ook Loenen ad Vecht, als ik zo de steigers langs keek”. Tegen het einde van de middag reed het busje van Roy (hij heeft ook een bescheiden logement hier op Groningen) het terrein op. Ik had hem die dag al eerder begroet dus ik ging gewoon verder met het vullen van de hondenwaterbak. Komt daar toch plotsklaps wel een héél bekend gezicht de hoek om kijken: Paul Vugts, oud collega van Het Parool, destijds aanstormend talent en nu, zo’n zes jaar later, algemeen erkend kopstuk van de krant waar ik zelf bijna 25 jaar met zo verschrikkelijk veel lol heb gewerkt. In zijn kielzog liep Sander Nieuwenhuis, free lance fotograaf; het was zó een geweldige verrassing! Paul zei dat hij mijn telefoonnummer op zak had en ons tóch wel gebeld zou hebben. Maar toen ze, op weg naar Nickerie, bij Roy een kamer zochten en daar de folder van Mi Gudu op het barretje zagen staan, was er geen houden meer aan. Natuurlijk moest eerst Mi Gudu worden geinspecteerd; hij had immers al die verhalen in mijn Paroolcolumns gelezen en de bouw destijds gevolgd: van die enorme stapels staal tot aan het fiere schip wat hier nu aan de steiger ligt afgemeerd; ze waren verrukt. Daarna het zwembad, de nieuwe gastenhuisjes (reactie idem) en tenslotte bijpraten. Over de nieuwe hoofdredactie, wie er zoal zijn afgezwaaid, inmiddels, wie er hartproblemen had, depressief was geworden. Een aantal zaken is veranderd, onder het nieuwe bewind, er zijn natuurlijk ook veel Bazen en Baasjes bij gekomen. Maar ik kreeg de indruk dat de sfeer op de redactie nog steeds onverwoestbaar vrolijk is. Dat was hij bij de oprichting van de verzetskrant in de oorlog en dat is hij bij mijn weten door alle stormen heen en tegen de verdrukking is, ook altijd gebleven. Ze bleven eten, natúúrlijk bleven ze eten! Daarna ging Sander in het donker aan boord zijn geluk beproeven met een hengel. Nog geen kwartier later hoorde ik een soort angstig gepiep en dacht: die is óf het water in gelazerd, óf hij heeft beet. Het bleek het laatste: op het zwemplateau van Mi Gudu lag een reusachtige meerval hevig te kronkelen. Met een benepen stemmetje hoorde ik hem fluisteren: ‘Zeg, Paul, heb jíj weleens een vis van een haak gehaald?’ Nee. Dat had Paul niet. Dat had ik niet en René evenmin. Met een houwer hebben ze hem vervolgens maar half onthoofd; de triomf was er niet minder om. De volgende dag zouden ze doorrijden naar Coronie. Maar de viskoorts had hen aangeraakt en al vroeg (na een door Roy bereid ontbijt van gepaneerde meerval - je moet er toch niet aan dénken!) stonden ze op het schip met ik weet niet hoeveel materieel. Het was niet dat ze geen vissen aan de haak hadden – integendeel. Maar haken braken, lijnen knapten, Paul had één joekel waar hij zeker een half uur mee heeft geworsteld. Tot ook die lijn het begaf. Het resultaat was nul. Zodat Paul somber mompelde: ‘Het is net als in het casino; Sander had op het hoogtepunt moeten stoppen…’ Die maandagmiddag, tegen een uur of twee hielden ze het voor gezien en dropen ze toch af richting west Suriname. Ze zouden dan donderdag, op de terugweg nog even langs komen. Vier dagen in Nickerie? Ik had er een hard hoofd in (‘het licht springt op rood, het licht springt op groen; bij ons in Nickerie is altijd wat te doen’ vrij naar Herman Finkers) En inderdaad: woensdag belde Paul al of hij ook die dag al kon komen. ‘Jullie vervelen je een bult, daar, nô?’ Dus reden ze om vier uur ons erf op. Maar nu terdege voorbereid: spaghetti kluwen van polsdik touw, staaldraad om de machtige kaken van de piering (piranha) te kunnen trotseren en haken waar de slager een halve koe aan kan ophangen. Nu kregen ze visles van vriend Ro, hij toonde ze hoe je de haken moest knopen en hoe je ze vervolgens met grote lappen aas (stukken kip, een kleine kwikwi) aan het vissenoog moest onttrekken. Maar het mocht niet baten. Ze sliepen die nacht op het dek, de één in een hangmat, de ander op een matrasje, met (volgens mij) om hun grote teen een touwtje zodat ze ook slapend zouden weten wanneer ze beet zouden hebben. Maar de woorden van Paul over stoppen op het hoogtepunt bleken profetisch. Mike, onze vriend en aannemer weet álles van vissen in de tropen, dus moesten de haken weer ánders geknoopt en bleek het lood echt véél te licht. Met hernieuwde inspiratie togen ze de loopplank weer over…. Zonder resultaat. Toch heeft vooral Sander het licht gezien. Hij wil terug komen met een groep prominente vissers en dan met Mike (die ook álle plekjes weet waar je de ene na de andere koebi van anderhalve meter uit het water trekt) als gids met Mi Gudu gaan varen. Dan een website maken, videofilmpjes op You Tube en artikelen in vismagazines. Zijn nieuw op te richten Salamander Tours and Travels zal vervolgens het dek van Mi Gudu gaan bevolken. En wij, we vinden het prima. Voor mijn part vis je hier op zeekoeien, als het schip maar váárt! Brasa Leonoor Wagenaar