Boeroegeschiedenis bloot gelegd
Toegegeven, ik ben nogal in gebreke gebleven, de laatste tijd.
Het schrijven stond me, door omstandigheden, opeens danig tegen.
Maar dat werd me niet in dank afgenomen door de (zeer bescheiden)
schare internetlezers. En inmiddels denkt mijn gekwetste schrijf-ego ook bij zichzelf: je lijkt wel gek, er gebeuren zóveel leuke dingen om ons heen… Voorbeeld?
Ik ga je vertellen! Vorige maand reed hier een stoere terreinwagen het erf op met daarin een bakra in tropenpak (met tropenhoedje) die ons resortje kwam inspecteren. Hij stelde zich voor als Jaap van Dissel, projectleider van een archeologische onderneming en hij zocht onderdak voor zijn wetenschappelijke ploeg.
Ja dus! Jaap bleek hoogleraar Interne Geneeskunde en Epidemoloog aan de Universiteit van Leiden. Een collega van hem, René de Vries, ook al prof, maar dan Hematoloog, had veertig jaar geleden hier op Groningen een tijdje als huisarts gewerkt. Op een keer speelde hij een potje voetbal op het veldje waar nu ons stadion staat en kreeg hij een reprimande: met een rood shirt voetballen, uitgerekend op dát veldje: dat was wel blasfemie van de bovenste plank! Wist hij dan niet dat
al die arme boeroes onder zijn voetbalschoenen begraven waren?! Daar ga je toch niet met een rood hémd
Nee, dat wist hij niet. Maar op dat moment werd wel een fascinatie geboren die jaren bleef broeien en vakcollega’s aanstak, wat heet: besmétte.
Nou is het relaas van de boeroes, de eerste Nederlandse kolonisten, ook wel smartelijk.
We gaan terug naar 1840, naar het Nederlandse platteland waar de aardappel en graanoogsten waren mislukt en de algehele economische malaise van het land zich nog eens extra deed gelden. Ook in Suriname was de situatie niet florisant, slavenhandel was al verboden, slaverij nog niet, maar het aantal plantages was al sterk terug gelopen. Drie dorpspredikanten meenden een
win-win situatie te zien door tweehonderd verpauperde gezinnen naar
Suriname te sturen. Ze zouden hier in hun eigen onderhoud moeten voorzien en bovendien tonen dat er niks mis was met door blanken verrichte handenarbeid.
De kolonisten zouden zich op het hooggelegen Groningen mogen vestigen,
elk gezin zou vier akkers krijgen, gedeeltelijk beplant, er zou voor elk gezin
zou er een woning zijn met tafel en twee zitbanken, men zou gereedschap ontvangen, wat vee, een paar stuks pluimvee… Dat liep toch even anders. Toen in mei 1845 een groep van ruim 200 personen (mannen, vrouwen en kinderen) per zeilschip op de Saramaccarivier arriveerde, bleek men niet op Groningen, maar op plantage Voorzorg van boord te moeten (Voorzorg, een verlaten leprozen kolonie, lag in het moerasgebied aan de overkant van de militaire post Groningen), bleken er maar negen bewoonbare hutten voor de
24 gezinnen en 40 alleenstaanden te zijn, de gronden waren niet ontgonnen
en het vee ontbrak al helemáál. Al in de derde week brak er een ziekte uit bij een kolonistengezin wiens huis gebouwd was boven een half afgedamde
kreek. En toen in juli het volgende schip arriveerde, woedde er al een ware epidemie die uiteindelijk zo’n 190 boeroes het leven zou kosten.
Met de nazaten is het uiteindelijk allemaal wel goed gekomen, maar dat prille begin was zondermeer huiveringwekkend. Toen René en ik met Mi Gudu
naar Saramacca verhuisden en ik voor de Parbode een Boeroespecial besloot te maken, werd me al snel duidelijk dat er nergens meer ‘oral history’ te vinden was. Natuurlijk moeten er nog bejaarde kolonisten rondlopen wier voorouders aan boord van die zeilschepen zijn geweest, maar de herinneringen waren kennelijk zó gruwelijk dat de boeroes alleen nog maar vóóruit wilden kijken; nooit meer achterom.
Maar voor onze Jaap werd die geschiedenis dus een kleine obsessie.
Voor het halve academische ziekenhuis Leiden, eigenlijk. Waaraan waren die mensen destijd zo massaal gestorven? En waar zijn ze begraven?
Vorig jaar zijn de twee hoogleraren al naar de overkant gegaan, naar het zompige Voorzorg, waar ze (bij hoog water nota bene!) bijna wegzakten in de blubber en, nee, het leek de heren toch wel héél onwaarschijnlijk dat men in
die swamp zijn doden zou hebben begraven.
Maar waar dan? Dat was een gok, want daarover bestond geen documentatie. Jaap boorde subsidie potjes aan, ronselde in het ziekenhuis een archeologe die zich met DNA onderzoek bezig houdt, kreeg haar partner ook nog zo gek, plus een verpleegkundige van de IC die zijn kans als vrijwilliger archeoloog schoon zag en zo stonden ze dan op 1 september hier op de stoep.
Hier en op de eerste openbare begraafplaats van Groningen, want ze waren tot de slotsom gekomen dat ze dáár maar eens moesten graven.
Natuurlijk gingen daar maanden aan voorbereidingen aan vooraf; je krijg niet zómaar toestemming om in Surinaamse grond te gaan wroeten en voor de kisten archeologische apparatuur heb je op z’n minst een goedkeurend briefje van onze president nodig. Bovendien: vóór er een spade de grond inging moest er eerst een dienst worden gehouden op de begraafplaats.
Dat er later niks gaat spoken, zullen we maar zeggen.
Maar die dag, na de dienst, stuitte de pockline al direct op goud!
Naast het graf van mevrouw Pannekoek, de overleden echtgenote van een der predikanten, waar het veld kaal was, bleken de boeroes te liggen.
Toen we kwamen kijken was het oppervlak, zo’n halve meter beneden het maaiveld, gladgetrokken en zag je de donkere vlekken van de lijkkistdeksels. De dagen er op was er die bevrediging maar toch steeg de spanning: van het hout was vrijwel niets meer over, de dieper gelegen graven hadden wel érg te lijden gekregen van het grondwater: zouden er nog beenderen over zijn?
Voor gericht DNA onderzoek had Jaap van minimaal tien personen enkele kiezen nodig. Daarbinnen, veilig beschermd door het tandglazuur zou hij de informatie kunnen vinden over de epidemie die de boeroes had getroffen.
De dagen erna hoorden we de opgewonden verhalen van onze logé’s en gingen we zelf ook met grote regelmaat kijken. Naar dat kleine meisje dat haar armbandje nog om haar knokige polsje droeg (Axel, de archeoloog: “waarschijnlijk een hoge loodlegering, het materiaal is helemaal wit uitgeslagen”) en waarvan op haar borstbeen nog het witte knoopje te zien was wat haar jurkje bij de begrafenis bijeen moet hebben gehouden.
Een paar intacte schedels, maar zó broos dat je ze bij de minste aanraking al kon beschadigen. Eveline wil, zo lang ze tijd heeft, van haar opgravingen nog meer informatie vergaren; het geslacht, zo mogelijk de leeftijd.
Maar daarna worden de graven weer zorgvuldig dichtgegooid en gaan ze met behulp van die kiezen (afkomstig van zeventien skeletten) verder in het laboratorium zoeken naar de laatste antwoorden.
De zestiende vetrokken ze weer, onze wetenschappelijke doodgravers, maar de uitkomst van het onderzoek zullen we zeker te horen krijgen.
En de website lezers dus ook.
Brasa
Leonoor